Go to Top

Secondary News

Advanced novice ice champion

ES4_032 anais arnould On Thursday, 23rd of June, I won the title of British Champion 2016 at the Solo Ice Dance British Championships in the Ladies Advanced Novice Category.
I would like to thank everybody at the European School for their continued support without which this wouldn’t have been possible. Anaïs Arnould (ES4 2015/2016)

 

 

 

 

 

Anais Cooper

 

 

 

Vincitori

Wyeth, Andrew

Wyeth, Andrew

The S5s were given this picture Christina’s World, a 1948 painting by Andrew Wyeth, and one of the best-known American paintings of the middle 20th century. Thanks to CESPA for their awards of £30 per winning story. At the recent Award Ceremony the Head Mrs Soekov pointed out that in half the stories our students demonstrated their love of tragedy as the main character, the young woman, dies. Read the six winning stories below:

 

 

Benet (Kirstine Fahl)
Jeg vågnede op til det kridhvide lys der blændede mine sammenknebne øjne. Det hele snurrede rundt omkring mig da jeg hørte stemmer råbe ”HUN ER VÅGEN” og så grupper af hvidklædte sygeplejersker komme løbende imod mig. De så nervøst rundt på hinanden, mens en mand rodede hurtigt rundt i en mappe med papir.
”Klokken er kun 12, hvorfor er hun allerede vågen?”
Så begyndte alt lige så stille at blive mørkt igen, ligesom det havde gjort dagen før, og stemmerne rundt om mig blev lavere og lavere, indtil alt igen forsvandt, og jeg huskede.
Jeg var ude at gå men Max i går eftermiddags. Det var min tur til at gå men ham, selvom jeg var midt i lektierne. Det var allerede ved at blive mørkt, så jeg gik ikke længere end til skoven. Jeg havde høj musik i ørene, så jeg hørte næsten ikke max gø. Men så gav han et kæmpe hyl fra sig og jeg tog min iPod ud af lommen og slukkede musikken. Jeg vendte mig om. Max´s hvide pels var blevet rød af blod. Jeg løb imod ham men snublede, da en kæmpe Rottweiler greb fat i mit ben. Tårerne løb ned ad kinderne på mig, og Max´s ynkelige krop bevægede sig hurtigt op og ned i takt til nogen små piv. Vreden kogte inden i mig, og jeg sparkede det brunsorte monster så hårdt jeg kunne. Så mærkede jeg den hivende smerte i mit venstre ben. Jeg åbnede munden for at råbe og skrige, men kunne ikke få noget ud. Det var, som om der var en prop i halsen på mig, og hurtigt måtte jeg hive efter vejret. Jeg faldt til jorden og greb efter mit brændende bed. Mit blodvåde bukseben kølede det ned, men det stak som sindssygt indeni.
Rottweileren var løbet væk. Det hele kørte rundt i hovedet på mig, men jeg kunne ikke koncentrere mig om andet end mit ben. Endelig kunne jeg få en lyd ud og brølede efter hjælp, så max gav et spjæt fra sig. Jeg blev helt slap i kroppen og kunne ikke andet end ligge og vente. Så blev det sort for mine øjne og forblev det, indtil jeg vågnede op her.
Lægen kiggede skiftevis ned på hans papir og op på mig.
”Hvad skal der ske med mit ben nu” sagde min rystende stemme, imens jeg fik øjenkontakt med ham, og hans ansigtsudtryk ændrede sig. Han så pludselig meget alvorlig ud. Jeg kunne mærke heden stige inden i mig, og han sagde hurtigt, helt koldt:
”Det skal amputeres”

Beneden net als boven (Oscar Graham van Seters)
Ze klom door de takken heen het bos uit, ze was bang. Ze was bang, omdat iets of iemand haar volgde, maar ze wist niet wat. Ze rende door. Toen ineens viel ze over een tak en sneed haar been, het bloedde veel. Toen ze eindelijk de wijk in kwam, keek ze om. Het keek terug met boze rode ogen die haar direct aankeken, het stapte wat dichterbij. Toen……
‘Beep,beep,beep’,het was Emers alarm. Ze deed haar ogen open en klom uit bed, direct nadat ze probeerde te staan viel ze om. Ze keek naar haar bed, het was helemaal rood van het bloed, en dan keek ze naar haar been, het was helemaal open gesneden. Ze riep haar moeder ‘MAMA!!!’. Emers moeder rende de trap op, net toen ze boven was, viel Emer flauw.
Emer werd de volgende morgen in het ziekenhuis wakker. Ze keek om, haar moeder zat naast haar te slapen. Emer schudde aan haar, Emers moeder werd langzaam wakker, ‘uh Emer je bent wakker’. ‘Wat is er gebeurd’, zei Emer. ’Je hebt blijkbaar je been aan de radiator gesneden terwijl je sliep’. ’Oh ok… Wanneer mag ik weer naar huis’? ’Vanavond pas, de dokters doen nog even wat testen’.
Emer ging pas om tien uur naar huis, ze was nog moe en slap en ze ging direct naar bed. Meneer poes sprong ook op bed, Emer vond dat altijd geweldig. Het was alsof iemand haar bewaakte. Die avond sliep Emer heel goed , het was altijd makkelijker slapen als poes er was. Emer mocht nog een paar dagen van school vrij nemen, want ze was nog wat slap, maar die dagen gingen snel voorbij. Het was snel alweer woensdag en Emer mocht weer naar school. Emer vond school leuk, want anders zag ze weinig mensen. Ze kreeg ook nog biologie vandaag , het leukste vak, Emer wilde graag later dokter worden, om geen andere reden dan mensen te helpen.
Die avond toen Emer naar bed ging, kreeg ze weer zo’n droom als die van tevoren. Ze klom door de takken heen het bos uit, ze was bang. Ze was bang omdat iets of iemand haar volgde, maar ze wist niet wat. Ze rende door. Toen ineens viel ze over een tak, maar gelukkig deed ze deze keer haar been geen pijn, maar haar arm. Ze kwam de wijk in en keek om, weer die brandende rode ogen, alsof ze beide vuren waren, ze flikkerden rood en geel. Dan een griezelige lach,”hahahaha”. Emer was zo bang, ze begon te huilen. Toen ineens……
“Beep,beep,beep”. Het was haar alarm weer, ze kwam uit bed, wandelde naar de badkamer en begon haar tanden te poetsen.Terwijl ze dat aan het doen was, dacht ze over haar droom, ”het voelde zo echt”. Ze merkte dat er iets met haar arm was …. er was in gesneden. Ze dacht er niks van. Ze ging naar beneden, moeder had voor haar wat ontbijt klaar gelegd.Emers moeder keek naar haar arm. “wat heb je nou gedaan”, “volgens mij was het de poes”. Het was weer een normale dag op school, maar vandaag had ze geen bio, dat vond ze niks.
Emer kwam die avond terug naar huis en ging na een paar uur tv kijken naar bed. Ze had vannacht ook zo’n droom. Ze rende door de takken heen, ze viel om, ze liep krassen op, het monster keek haar aan met boze rode ogen. En het ging zo door. Emer begon die nachtmerrie keer op keer te krijgen, het begon echt erg te worden. Elke morgen kwam ze naar beneden met een nieuwe kras of snee, mensen dachten dat ze het zelf deed, mensen begonnen zich zorgen te maken. Haar moeder haalde er een dokter bij. Maar af en toe kreeg ze een goede nacht slaap, maar eigenlijk alleen als poes er was. Toen was de droom wat anders, het kwam bij het punt waar het monster haar aankeek en zijn arm naar haar uitstak, toen kwam een lang slank mens die een hoge hoed droeg. Elke keer als hij kwam, sprong hij naar voren en rende naar het monster toe, en elke keer net voor iets gebeurde…
“Beep, Beep, Beep”.Het was haar alarm. Poes sprong uit bed en rende weg, Emer werd weer langzaam wakker. Geen nieuwe krassen.
Vandaarafaan werd het weer een beetje hetzelfde, ongeveer een maand lang kwam elke avond in haar droom de lange slanke man met de hoge hoed, en elke keer voordat de man en het monster elkaar aanraakten. “Beep,beep,beep”. Haar alarm. Het ging goed door, maar op een zekere dag kwam de man niet. Het monster kwam dichter en dichter bij, het greep haar vast en lachte. Waar hij haar aanraakte, brandde het alsof iemand heet water tegen haar vel gooide. Emer werd toen ineens gillend wakker, ze rende naar beneden, maar struikelde op de trap, ze viel om en stootte haar hoofd tegen de muur.
Daar zat ze weer aan het begin van de droom. Alles ging zoals gewoonlijk. Ze rende, ze viel en het monster kwam. Zjn boze rode ogen kwamen uit de schaduw. Een slijmerige, enge hand kwam langzaam het bos uit en greep Emer goed vast met een klauw van ijzer. Emer hoorde wat beuken, ze voelde haar benen niet meer.
Toen was hij er weer. De lange dunne man was er, ze kon zijn gezicht niet zien, maar ze voelde wel een glimlach op zijn gezicht. Hij rende tegen het monster aan, het monster liet Emer vallen, ze kon haar benen niet gebruiken. Ze kroop langzaam de wijk door tot ze een huis zag, het stond daar gewoon in het midden van de wijk. Ze vroeg zichzelf af waarom ze het nooit eerder had opgemerkt.
Emer keek weer richting bos, maar zag niks. Ze was bang dat de lange dunne man gedood was, ze hoorde ineens een gil van pijn. Emer begon wat harder naar het huis toe te kruipen en ze keek nooit achterom. Beetje bij beetje, centimeter voor centimeter kwam ze naar boven. Toen voelde ze een hand haar schouder aanraken, ze schrok zichzelf dood. Ze deed haar ogen dicht, ze was bang dat het het monster was, maar het was een zachte hand….. een harige hand. Ze keek om. Emer zag weinig onder zijn muts, maar kon net twee grote groene ogen onder die muts van hem zien.
‘Wie ben je?’, vroeg Emer. En met een zachte diepe stem zei de man terug:’Een vriend’. Emer zei niks, maar was gewoon een beetje verbaasd, verbaasd omdat ze voelde alsof zij hem ergens van herkende. Maar ze was er niet zeker van. De man raapte Emer op en begon naar het huis te lopen. ‘Wat is dat huis?’, vroeg Emer. ‘Het jouwe’, zei de man. Hij deed de deur open en bracht Emer naar boven. Emer keek ook gelijk om, het was inderdaad haar huis. De man zette Emer in bed en zei:’Slaap maar, het gaat wel beter als je wakker wordt’.
Emer zei niks, helemaal niks. Ze lachte gewoon en viel in slaap. Ze werd in het ziekenhuis wakker, haar moeder sliep naast haar bed. Emer schudde aan haar. ‘Word eens wakker. Haar moeder deed langzaam haar ogen open. ‘Wa, huh, Emer! Je bent wakker’. Emers moeder sprong op, zo blij als wat, ze riep de dokter. Het bleek dat Emer al een maand in coma lag. Nu moest ze nog een paar dagen in het ziekenhuis blijven en dan mocht ze weer naar huis.
Toen ze thuis kwam, was er groot feest, ze was zo blij. Later die avond zag ze poes en merkte ze dat hij dezelfde ogen had als die van ……… Emer wist het gewoon, ze wist niet hoe, het moest gewoon. Poes keek Emer aan, knipoogde en rende weg.

The Argument (Anna Halbrehder-Wain)
My head is pounding. I can feel the hard tiles beneath me. They’re warm.
As if in slow motion I reach up to my head and open my eyes. I look at my hand and all I can see is blood. It is then that I notice I am not alone. Beside me lies a figure. Crimson blood still seeping from somewhere in his body.
I can feel the panic rising. I scramble to my feet, and run.
I run blindly through the unknown corridors and down the stairs until I reach a door. Ignoring my throbbing head I yank it open and leap through the portal, away, away from this nightmare. I tumble down the uneven slope and leave the house behind me.
What’s happening? Who was that? Where am I? Questions fly through my head one after another, none of which I know the answer to. Suddenly, as if I’d run into an invisible wall, I stop.
One question stood out amongst all of the others. Who am I? I fall. My feet are no longer beneath me and I come crashing to the ground. I lie in the long grass and wait. I wait for my memories to come back. I wait for an explanation. I wait, and wait, and wait…
Screaming, all I can hear is screaming and yelling. Two people, a girl and a boy, stand opposite each other hurling profanities at one another. I cannot make out exactly what is being said. It’s as if I’m standing behind a wall of glass, observing, watching, present but somehow detached from it all.
I wake up with a jolt. The landscape I saw earlier is no longer the same. Darkness covers the hills like a blanket, and the house I ran from now looks even more eerie than before. I get back to my feet and walk. As I walk I begin to think. I think about my strange dream, and the eerie house with the dead man. I think about what it is that I have to do with it all and why it is that I remember nothing. I walk through the night until I reach a road and then I stop to rest.
The screaming is back. It’s louder this time. The girl is crying now. Crying and screaming. The boy has his head in his hands, he says nothing. As she paces back and forth. Back and forth.
I feel the warmth on my skin as I trudge down the road; I do not know where I’m going; I only know that I must not stay here. Again I think of my dreams as I walk, my strange, strange dreams. The girl and the boy. I feel as if I should know who they are, but how am I supposed to know who they are if I do not even know my own name? Suddenly I hear something. I look around but see no one. Again. A single word. The voice, it sounds close. Familiar. Christina. A name. I listen, but hear it no more.
The boy remains still. As if he can no longer hear the screaming girl. She is no longer pacing. Now she too remains still. The tears have stopped falling and only a look of anger remains. For a moment everything is still. Then she begins to speak again. A name. Robert. She repeats it over and over, pain and anger in her voice. Slowly the man looks up, his sad eyes pass over her face, and then he speaks. He is no longer angry, but seems as though he knows the words he is about to say, will not comfort the woman standing in front of him. He opens his mouth and says, “Christina, I’m so sorry”. He then moves towards the door but not before the woman grabs onto his arm. Suddenly, as if t were a movie, everything slows down, he hits his head on the table and collapses lifeless onto the ground. The woman hits her head on the floor but is only momentarily unconscious. It is as she regains consciousness that I realize who the girl is. It’s me.

Le collier (Clémence Braud )
Christina se redressa avec difficulté, s’appuyant sur la faux.
Le soleil tapait fort sur la campagne en ce beau mois de juillet.
Ses cheveux bruns collaient à son front trempé de sueur.
Elle en écarta une mèche en soupirant. Le son d’une cloche retentit au loin, prévenant les travailleurs qu’il était l’heure du déjeuner.
Christina ramassa le panier où elle avait entreposé les récoltes, posa la faux
en travers et cala le tout contre sa hanche.
D’un pas pressé, elle prit la direction de la grande maison où elle vivait. Il y avait dans le logis cinq autres personnes : trois ouvrières qui, comme elle, travaillaient
aux champs la majeure partie de la journée et un couple marié qui les employait
et les logeait en échange de quoi les filles cuisinaient, lavaient le linge,
s’occupaient de toute autre activité ménagère.
Christina entra dans la maison, déposa le panier et la faux, attrapa un tablier et
se hâta en cuisine.
– Tu es en retard, la réprimanda Marie, une des ouvrières, en coupant des légumes.
– Je sais, pardon , lui répondit simplement Christina.
Elle se mit à éplucher les légumes avec elle, silencieusement.
Bientôt une petite cloche retentit, annonçant que les deux époux étaient attablés
et attendaient leur repas.
Christina attrapa les deux plats et se pressa jusqu’à la salle à manger. Elle servit
ses employeurs et leur demanda :
– Voudriez-vous quelque chose à boire?
– Va donc nous chercher de l’eau comme d’habitude, et ne commence pas à prendre tes petits airs de noble avec nous ou nous te renverrons chez tes
parents avant la fin du mois ! Grogna le mari.
Christina s’empourpra et sortit en vitesse en déversant un flot d’excuses.
Elle tentait du mieux qu’elle le pouvait de se montrer respectueuse et polie envers ses employeurs mais à la moindre occasion, ils trouvaient quelque chose qui
n’allait pas et la rabaissait, menaçant de la renvoyer.
Or, elle ne pouvait se permettre d’être renvoyée, tout d’abord, ce serait une honte pour elle et sa famille, mais surtout, cela voudrait dire qu’elle ne toucherait plus ses cent-quatre-vingt francs par mois.
Et cela, plus que tout autre chose, serait terrible. Ses parents perdraient des
revenus mensuels qui menaceraient tout l’équilibre des choses.
Alors, Christina se taisait et travaillait du mieux qu’elle le pouvait jusqu’à ce
qu’elle tombe de fatigue dans le vieux lit désagréable.
La jeune fille attrapa le pichet d’eau dans la cuisine et alla servir le couple.
Elle le fit rapidement et silencieusement puis retourna près de Marie.
En voyant son air inquiet, Marie devina :
– Ils ont encore menacé de te renvoyer, n’est-ce pas?
– Oui, j’ai bien peur que si je fais une erreur trop importante, ils ne me le pardonneront pas.
– Ne t’inquiète pas tant, ça leur passera !
– J’espère bien , soupira la jeune fille en adressant un sourire de remerciement
– à Marie.
Elle ôta son tablier et se rendit dans la cour afin de laver les vêtements de toute
la maison, comme le lui avait demandé Madame Dupuis quelques heures plus tôt.
Elle les savonna énergiquement avant de les rincer et les suspendre sur une corde.
Son travail fait, elle s’apprêtait à rentrer prêter main forte à Marie et Jeanne qui nettoyaient la maison quand un éclat attira son regard.
La jeune fille fronça les sourcils et observa le poulailler où caquetaient les dix poules.
Attirée par l’étrange éclat, elle s’approcha du poulailler et entra, refermant la grille derrière elle pour que les poules ne s’échappent pas.
Elle s’agenouilla face au mur et se baissa.
Oui, il y avait bien quelque chose, là, caché dans une faille du mur.
Du bout de ses doigts fins, elle attrapa l’objet et tira dessus.
Un collier.
C’était une magnifique chaîne d’or qui valait au moins trois-cent-cinquante francs.
Christine considéra l’objet avec de grands yeux jusqu’à ce qu’elle entende une porte claquer et un cri retentir.
– Voleuse ! Je savais bien que tu préparais quelque chose avec tes manières de noble et le temps que tu prenais à laver les vêtements ! Depuis qu’il a disparu, je me doutais que c’était toi. Avec cet air innocent, ça ne pouvait être que toi ! Tu m’as volé mon collier !
Le temps qu’elle comprenne ce qui lui arrivait, Madame Dupuis l’avait saisie par le bras et l’entraînait vers la maison.
– Jacques ! Jacques, viens donc ici ! J’ai trouvé la voleuse, c’était la petite, depuis
le début ! criait-elle.
Christina tenta de se défaire de l’emprise de la femme et de protester mais il n’y avait aucun moyen.
Les deux époux lui crièrent dessus avant de la jeter dehors avec ses quelques affaires.
Bien évidemment, ils ne la payèrent pas.
Christina ramassa ses vêtements et objets et, pleurant de honte et d’injustice, elle quitta la maison.
C’est en s’éloignant encore qu’elle aperçut le chat de la maison la fixer, avec, entre ses pattes, des bijoux étincelants.

Christinas Welt (Leonardo Mack)
„Hallo, ist da wer?”, sie stoppte das Band und lachte. Es war mehr ein Kichern – eines, das niemand hörte. Christina lebte allein. Um sie waren vier Wände, dann der Stall, in dem seit Jahren Stille herrschte und dann noch Gras. Keine Straße, kein Fluss, aber doch war sie da.
Als ihre Eltern vor langer Zeit gestorben waren, der Vater erst, dann die Mutter, war sie zurückgeblieben. Und nun saß sie in der Küche, der Steinhaufen neben ihr, er war gewachsen seit dem Tag, an dem sie ihre Mutter auf dem Dachboden begrub, weil die Erde gefroren war. Sie saß da und nach dem Kichern hörte sie auf die Stille. Ist es nicht grausam, die Tage in Steinen zu zählen? Das einzige, was sie tat, war Tag für Tag einen kleinen spitzen Stein aus der öden Umgebung zu holen, um ihn dann zu Hause auf dem Haufen zu platzieren. Würde sie das ihr Leben lang machen, es würden immer noch unendlich viele andere Steine dort liegen im Nebel. Ihr Traum war jedoch, die Welt von allem Spitzen, Unförmigen zu reinigen. Wie konnte es sein, dass sie jetzt schon einen Haufen Steine aushielt, mit der vergammelnden Mutter auf dem Speicher, kein Lebewesen größer als eine Heuschrecke, mit grauen Farben und der Unwissenheit, was hinter diesen Feldern lag?
Immer noch saß sie da und wusste nicht, worüber zu denken, nicht mal eine Uhr tickte. Absolute Stille. Nach etwa vier Stunden in Trance weckte sie der Regen. Sie stand auf, schob sich etwas Essbares in den Mund und legte sich schlafen. Es gab ihr immer ein Gefühl von Geborgenheit, wenn es gewitterte.
Am nächsten Morgen zog sie wieder das dreckige rosa Kleid an, ihre Söckchen, die Schläppchen und band ihr Haar zusammen. Bleich wie ihre Mutter ging sie hinaus in den neuen Tag, der ihr nichts versprach. Heute wollte sie mal weit gehen, in Richtung Sonne. Sie fand den passenden Stein schnell, steckte ihn sich wie üblich in den Mund, um ihn von dem Dreck zu befreien und guckte ihn sich an. Nichts Besonderes.
Und genau in diesem Augenblick um ungefähr elf Uhr raste, klackerte, ja stampfte ein Ungetüm direkt auf ihr Heim zu. Sie schrie auf und rannte, während ihr der Stein aus der Hand glitt, in die entgegengesetzte Richtung, vor dem unbekannten Bösen fliehend. Sie schrammte sich das Gesicht, Hände und Knie auf und schmiss sich auf den Boden. Blut floss, schließlich erwartete sie kauernd den Tod. Doch nichts geschah. Das Ungetüm machte vor dem Haus halt und etwas Schwarzes, Kleines trennte sich von ihm. Sekunden davor hatte sich das Brüllen gelegt. Jetzt schlüpfte ein kleiner schwarzer Umriss durch ihre Tür. In diesem Moment hob Cristina den Kopf wie ein gejagtes Kaninchen, das nach der Verfolgung den Feind erspähen muss, um beruhigt zu sein. Nach einer Weile kam die Gestalt wieder hinaus und bewegte sich wie angezogen von dem Ungetüm zu diesem zurück. Das höllische Getöse begann aufs Neue und das Monstrum setzte sich in Bewegung. So schnell wie es gekommen war, verschwand es wieder. Sie ging erstaunlich entschlossen in das Haus zurück. Alles war unverändert.

So kam es, dass Christinas Welt bis an ihr Lebensende unverändert blieb, nur weil sie zur falschen Zeit fünfzig Meter zu weit östlich im Gras gelegen hatte. Der Mann, der an jenem Tag mit seinem Auto über die Felder gefahren war, sollte sie fünf Jahre später, ein Küchenmesser in der Brust, neben einem Steinhaufen tot auffinden.

18 Agosto 1948 (Virginia Shorrock)
La stazione centrale di New York e` sempre piena di gente, ma oggi molto piu` del normale.
Fa molto caldo oggi anche se dicono che non restera` cosi` bello per tanto tempo. L’ estate e` la mia stagione preferita: il sole, il gelato,
i vestiti sottili, le visite a mia nonna, la spiaggia.
Pero` oggi c’ e` un caldo diverso ; intenso e soffocante. Il sole mi acceca, l‘ aria e` umida e appiccicosa. Sento un fischio all mia destra e vedo il treno che si avvicina. Guardo l’ orologio : 12 :15 puntuale.
Mi alzo dalla panchina e vado alla porta del treno; apro e entro nella carrozza. Mi siedo su una delle poltrone libere, tolgo il mio cappello e provo a rilassarmi.
Il treno e` pieno di gente, sono seduta vicino a una donna giovane con un bambino piccolo tra le braccia. Il bambino mi guarda con gli occhi spalancati, come se stesse provando a dirmi qualcosa. Alla mia sinistra c’ e` un uomo, vecchio, con gli occhi chiusi ; russa quasi impercettibilmente. Le porte del treno vengono chiuse… tutto ad un tratto sento l’ aria mancare dai miei polmoni. Fa troppo caldo ! Ci sono almeno settanta persone nel vagone, i nostri corpi appiccicati insieme in questa maledetta scatola metallica. L’ aria diventa sempre piu` umida e pesante. Il caldo e` ormai insopportabile. Il bambino alla mia destra comincia a piangere forte. La donna lo accarezza, ma lui non smette.
I suoi urli rimbombano nelle mie orecchie. La mia vista si fa piu` e piu` scura. Fa troppo caldo ! Sto per svenire.
Chiudo gli occhi… e vedo il prato vicino alla casa dove vivevamo quando ero una ragazza. Adesso sono sdraiata nell’ erba e guardo le nuvole. Una brezza leggera mi muove i capelli. Ora sono finalmente rilassata. Questo e` il mio posto preferito, il piu` bello del mondo.
Una frafalla arriva inaspettata e gira intorno alla mia testa. Mi guardo intorno e vedo la casa della mia infanzia. Mi sto per alzare…
*Ding*, sento uno squillo, forte.
L’ altoparlante annuncia che il treno e` arrivato a destinazione. Ultima fermata. Apro gli occhi, mi alzo, esco dal treno.